Handboek groepsdynamica

Handboek groepsdynamica, J. Remmerswaal

Remmerswaal beschrijft in zijn boek “Handboek groepsdynamica” aspecten die een rol spelen bij het werken in groepen. Groepsdynamica is de studie van gedrag van mensen in kleine groepen en neemt een positie in tussen psychologie en sociologie.

Volgens Remmerswaal maken mensen deel uit van twee typen groepen. In de primaire groepen (sociale klassen) gaat het een persoon om het bevredigen van zijn sociaal-emotionele behoeften. In de secundaire groepen (organisaties) gaat het een persoon om het bevredigen van zijn rationele behoeften.

Mensen worden lid van groepen vanwege de aantrekkelijkheid van de groepsactiviteiten en vanuit de verwachting privé doelen via deze groep te kunnen bereiken. Ook worden mensen lid van groepen door de aantrekkelijkheid van het interpersoonlijke contact binnen de groep en vanuit de verwachting sociaal-emotionele doelen via de deze groep te kunnen bereiken. Remmerswaal stelt dat disfunctioneel gedrag van een persoon in een groep een aanwijzing is voor het feit dat de individuele behoeften van deze persoon door de groep niet (meer) bevredigd worden (Remmerswaal 2008: 243).

Volgens Lewin zal een groep spanning ervaren als er een evenwicht verbroken wordt. De groep zal er dan naar streven het oude evenwicht te herstellen, of een nieuw evenwicht te bereiken. Hier zie ik een parallel met de eerder beschreven theorieën waarin mensen in eerste instantie weerstand vertonen tegen een verandering (en zo het oude evenwicht trachten te herstellen) en vanuit de Neutrale zone een nieuwe situatie bereiken (een nieuw evenwicht bereiken).

Remmerswaal (Remmerswaal 2008: 51) onderscheidt ingroup (de wij groep) en outgroup (de zij groep) denken, waarbij de verschillen tussen wij en zij groter worden als de outgroup als vijand wordt gezien. Binnen de ingroup wordt agressiviteit vanuit de gezamenlijke normen niet getolereerd, met als gevolg dat deze afstraalt op de outgroep. Verder hebben de ingroup leden de neiging om op een stereotypische manier naar de outgroup leden te kijken. Hierbij worden de ingroup leden benaderd als op elkaar lijkende individuen en de outgroup leden als leden van een andere klasse of categorie.

Binnen groepen spelen veel zaken een rol op verschillende niveaus (Remmerswaal 2008: 66). Deze verschillende niveaus worden weergegeven in figuur 3-17.

 

** figuur 46 **

Figuur 3?17 Verschillende relevante niveaus binnen groepen

Een belangrijke conclusie die op basis van deze figuur getrokken kan worden, is dat een projectleider in zijn project rekening moet houden met de gevolgen van de verandering die het project teweeg brengt op alle genoemde niveaus binnen de bij de verandering betrokken groepen.

Remmerswaal geeft aan dat het type leiderschap dat een groep nodig heeft afhangt van de fase waar de groep zich qua ontwikkeling in bevindt (Remmerswaal 2008: 294). In figuur 3-18 wordt deze situationele manier van leidinggeven weergegeven.

 

** figuur 47 **

Figuur 3?18 Leiderschapsstijl als functie van groepsontwikkeling

In de oriëntatiefase laat een groep vaak afhankelijk gedrag zien omdat de groepsleden door onbekendheid met elkaar nog geen team zijn. In dat geval is een directieve leiderschapsstijl effectief. Tijdens de machtsfase waarin de teamleden tot een eigen verdeling van invloed komen, is een overtuigende manier van leidinggeven effectief. Tijdens de fase van affectiviteit waarin relatiepatronen tussen de groepsleden ontstaan, kan de participatieve leiderschapsstijl het best ingezet worden. Tot slot kan de delegerende leiderschapsstijl ingezet worden als de groep alle stadia doorlopen heeft en een volwassen groep is.

Tot slot geeft Remmerswaal de onderzoeksresultaten weer van Leigh die in 2004 onderzoek deed verandertrajecten. Ruim 70% van deze trajecten mislukt als gevolg van de volgende redenen (Remmerswaal 2008: 369):

  • Vasthouden aan oude leiderschapsmodellen waarin de oplossing voor een probleem aan de groep aangeboden werd;
  • Veranderingen worden opgelegd en aangestuurd door het management;
  • Het toegepaste verandermodel is gebaseerd op controle en beheersing;
  • Er is weinig ruimte voor inbreng van betrokkenen;
  • Er is een beperkt beeld van de werkelijkheid doordat er te weinig gebruik wordt gemaakt van de aanwezige kennis;
  • Er is teveel focus op het vaststellen en oplossen van problemen;
  • De visie achter de verandering wordt eenzijdig vormgegeven door het management;
  • Het uitgangspunt voor de verandering is een lineair denkmodel;
  • De veranderstrategie wordt topdown gecommuniceerd;
  • Planning en implementatie zijn elkaar opvolgende fasen.

De bijdrage van Remmerswaal bevat enkele belangrijke zaken die projectleiders in het oog moeten houden. Deze zaken spelen zowel een rol bij het werken met hun projectteam, als bij het werken met de groep waarbinnen de verandering die het project teweegbrengt doorgevoerd wordt.

Belangrijk vind ik het inzicht dat mensen aan groepen deelnemen om hun eigen doelen te behalen en dat disfunctioneel gedrag er op wijst dat dat in onvoldoende mate lukt. Dit is een aangrijpingspunt voor interventies.

Tot slot is de constatering van Remmerswaal belangrijk dat het gebrek aan participatie van de betreffende groepen binnen verandertrajecten een belangrijke reden is waarom veranderingtrajecten niet lukken.

Lees ook eens: Leidinggeven aan professionals en Mensen maken projecten.

Terug naar de boekenkast >>

Zoeken

Gratis nieuwsbrief